Op weg naar mijn werk, door de regen, nader ik het kruispunt tweede Hugo de Grootstraat // Nassaukade. Ik zie een moeder met haar kinderen op de fiets, wachten op het groene licht. Voorop zit de jongste, en achterop de oudste, deze laatste trok mijn aandacht in het bijzonder! Hij zat met beide benen aan een kant, ik denk dat hij een jaar of tien was, net zo oud als mijn zoon, hij droeg dezelfde schoenen. Die schoenen waren, in vergelijking tot zijn postuur, te groot. Dat geldt ook voor mijn zoon, dacht ik. Hij deed mij denken aan een jonge herdershond, die nog geen goed raad weet met zijn snel groeiende poten. Enfin, in het voorbij gaan, zag ik die jongen, dromerig voor zich uitstaren, geheel afwezig van het hier en nu, temidden in het drukke verkeer, dat aan alle kanten voorbij reed. Het was nog steeds rood voor hen. Die jongen, zich geheel niet bewust van al het gevaar dat er bestaat, zo onbevangen bij moeder achterop, als het ware nog thuis, met een boek op de bank.

Inmiddels fietste ik de brug over, de zoveelste brug in mijn leven, zei ik in mezelf. Beter dan sigaretten, sprak ik hardop, zodat niemand het hoorde. Die jongen van zonet, moet vast gelukkig zijn, vervolgde ik in gedachten. Was ik zelf ook gelukkig geweest, als jongen van tien? Ik dacht na,….. jazeker wel, die mooie vakanties. Een daar van was in Almen, een klein dorpje in de achterhoek in de buurt van Eefde, niet ver van Zutphen. Lange stukken op de fiets, samen met mijn ouders, broer en zus. Ik kan mij herinneren dat ik op een van onze fietstochten, een flink stuk voor mijn ouders uit, was gaan rijden, om als eerste het dorp te bereiken. Dat was dan een overwinning.

Tijdens dat tochtje, zong ik het liedje van de olifant, ik verzon ter plekke mijn eigen tekst, die handelde over gelukkig zijn en dat was ik ook. Toen was gelukkig zijn, veel gewoner dan nu, hoewel je daar ook vraagtekens bij kan zetten. In ieder geval, wist ik toen nog niet, hoe diep triest een groot mens kan zijn, en dat is maar goed ook, want anders had ik nooit dat liedje kunnen zingen.

Ik schoot wakker, keek op mijn wekkerradio en sprong uit bed. Vijf over zeven, zei ik hardop, zal mij moeten haasten. Moest een dagdienst vervullen op de longafdeling, om half acht is de overdracht. De avond ervoor had ik te diep in het glaasje gekeken, in een roes fietste ik naar het ziekenhuis toe.

Eenmaal op de afdeling, was nog net op tijd, keek ik op het planningsbord. Zou die dag worden ingedeeld op de kamertjes, samen met Eugène, hij was mijn vaste begeleider. Die kamertjes waren doorgaans pittige werkplekken. Daar verbleven de patiënten, die veelal in afwachting waren van hun dood. En jawel hoor, bij de overdracht werd mij medegedeeld dat de heer X op kamer driehonderd vijf en twintig een paar uur daarvoor was te komen overlijden. De man was inmiddels door de nachtploeg afgelegd. ‘’Is de familie op de hoogte”, vroeg ik. ‘’Vanzelfsprekend’’, antwoordde de nachtzuster, die meer weg had van een man dan van een vrouw. Met een zware stem meldde ze, dat een van de familieleden, in de loop van de dag zijn spulletjes zou komen halen. Ze had zijn eigendommetjes in een vuilniszak gedaan, met zijn naam erop. Deze stond opgeborgen in de spoelruimte. Om precies te zijn, boven het aanrecht in een open kast naast de urinebokalen.

Mijn eerste taak die ochtend zou zijn, om de heer X naar het mortuarium te brengen. Ik was er nog nooit eerder geweest, maar Eugène zou mij assisteren.

Eugène had er al eerder bezoekjes afgelegd, de procedure voor de afhandeling kende hij goed. Ik was nog maar net tweede-jaarsleerling, en het moest er toch eens van komen om ook dit onderdeel van het werk, mij eigen te maken.

Wij reden het lijk, dat afgedekt lag onder een laken naar de beddenlift. Wij daalden af naar de kelder.

‘’Lekker dan, zo,n klusje op de vroege ochtend’’, zei ik tegen Eugène.

‘’Zeg dat wel, ik doe liever ook iets anders’’, antwoordde hij. Die Eugène was een ijdele kwast, een met wrange geestigheid. Echt zo,n sportschoolhomo, die uren lang voor de spiegel zijn eigen spieren kon bewonderen. Hij had altijd een nare lijflucht om zich heen hangen, een geur van ejaculaat. Je moest gewoon niet te dicht bij hem komen, als het niet anders kon ademde ik door mijn mond. De liftdeuren gingen open, samen reden wij het lijk de gang op richting het mortuarium. Ik voelde mij weeïg worden, en kreeg spijt van de avond daarvoor. Doorzetten, zei ik tegen mijzelf. Eigen schuld, dikke bult.

We waren er. Eugène nam de sleutel uit zijn zak, en opende de grote, donkergrijze deur. We gingen naar binnen.

‘’Laten wij eerst even het bed aan de wand parkeren alvorens ik de deur sluit’’, zei hij met een zachte stem. Ik volgde zwijgzaam zijn instructie op, en keek om mij heen. Wij bevonden ons in een soort voorportaal, de muren waren aan weerszijden olijfgroen gekleurd, aan het plafond brandde fel TL-licht. Eugène sloot de deur en drukte geroutineerd op het knopje van de bezet-lamp. ‘’Kijk’’ zei hij,’’nu brandt het rode licht boven de deur en weet men dat er werk in uitvoering is’’. ‘’Ziet men dat rode licht dan ook vanaf de andere kant’’, vroeg ik. ‘’Jazeker, er zit een transparant ruitje achter’’, reageerde hij licht geïrriteerd. Hij vond het waarschijnlijk een stomme vraag van mij. Zonder verder een woord te wisselen vervolgden wij onze weg. Eugène voorop en ik achter aan het bed. Wij betraden een gang van ongeveer tien meter lang, hier was het licht gedempt. Aan de muur hingen een stuk of wat art-deco achtige lampjes, in een strakke lijn met gelijke tussensprongen van elkaar. Deze lichtbronnetjes, deden mij denken aan de koude nazie-stijl. Ik hoorde in mijn hoofd muziek van Wagner opkomen, daar waar Hitler zo van hield. Wat raar, dacht ik. Wie zou de binnenhuisarchitect zijn geweest van deze tent, vroeg ik mij af. Misschien wel een verwant van Albert Speer, grinnikte ik zachtjes. Aan het einde van de gang, draaiden wij de hoek om.’’ Daar verderop bevinden zich de koelcellen’’, zei Eugène. Van mijn kater had ik inmiddels geen last meer, althans niet bewust. Ik werd volledig in beslag genomen door alles wat ik zag en dacht. Wij betraden nu de ruimte van de lijkenstandplaats en hielden halt. Hier was het licht nog feller dan in het voorportaal. Ik telde acht celdeuren op een rij. Aan iedere deur zat een klein schoolbordje vast, op drie ervan stonden met wit krijt persoonsgegevens genoteerd. Ik las achtereenvolgens, Dhr-Smeets, 12-01-1947, Dhr-ten Napel, 25-03-1944, en Dhr-Egberts, 19-10-1957. Drie lijken dus,  en met mijnheer X erbij worden dat er vier, redeneerde ik. Eugène had mij zien denken, en sprak. ‘’Kan mij best wel voorstellen dat het indrukwekkend is, als je hier voor de eerste keer komt’’. ‘’Toen ik hier voor het eerst was, vond ik het nogal naargeestig maar je went er snel aan’’. ‘’Wij kunnen zo dadelijk wel even rondkijken, als je wilt, achter die deur daar bevindt zich de obductieruimte’’. ‘’Dan gaan wij nu eerst de gegevens van mijnheer X verzorgen en tillen hem hierna over’’. ‘’Is goed’’, had ik gezegd. Eugène pakte het verpleegkundige dossier te voorschijn dat klem gestoken zat tussen het matras en het voeteneind, en nam vervolgens plaats achter een, lelijk, houten bureau, dat stond opgesteld in de hoek van het kille vertrek. Op het bureau lag een dik schrift, waarin hij de naam opschreef, het geslacht, de geboortedatum, en de datum en tijd van overlijden. Hij haalde een label met een elastiekje uit de la, en schreef daarop, Dhr X, 20-04-1923. ‘’Wil je mij even controleren, dat moet, dubbele check’’, had hij gezegd. Ik keek er naar, en zei dat het juist was. Hij liep naar het lijk en bevestigde het label aan de grote teen. Twintig april is de geboortedag van Hitler, dacht ik, het moet niet gekker worden. Ik relativeerde deze associatie direct, door het onder de noemer te plaatsen van creatief denkwerk en het hebben van enige kennis van de geschiedenis. Maar het zat mij toch niet lekker, dat Duitse gedoe drong zich niet voor niets zo aan mij op binnen deze ambiance. ‘’Zullen wij de goede man overtillen’’, hoorde ik Eugène zeggen. Hij ontgrendelde een koelcel deur, en trok de slede uit de schacht. De slede ontvouwde zich tijdens het naar buiten gaan tot een brancard constructie op poten. ‘’Dat is vernuftig’’, merkte ik op. ‘’Handig hè’’, zei Eugène. ‘’Wij kunnen nu het bed er naast plaatsen en het lijk aan het laken naar ons toe trekken’’. ‘’Dus het begrip overtillen dekt de lading van de actie eigenlijk niet’’, merkte ik op. ‘’Klopt’’, zei Eugène, ‘’en het is ook veel minder slecht voor je rug’’. Hij vertoonde bij deze woorden, een bezorgd gezicht. ‘’Ben je er klaar voor’’,  ‘’jawel’’, zei ik. We telden tot drie, en trokken het lijk gedecideerd de brancard op. ‘’Ziezo, dat is dat’’, klonk er zuchtend uit zijn mond. Het bed werd een stuk opzij gezet. Eugène fatsoeneerde het laken zodanig, zodat het lijk geheel lag afgedekt. ‘’Wij gaan hem inparkeren’’, zei hij bijna triomfantelijk. Behoedzaam schoof hij dhr-X de schacht in. Het landingsgestel van de slede, klapte net zo soepel in, zoals het was verschenen. De deur werd nog niet vergrendeld, eerst nam de broeder het schoolbordje uit de schuifjes. Aan het bureau kalkte hij met het krijtje een laatste opschrift en schoof toen het bordje terug op zijn plaats. Nu vond de vergrendeling plaats, klik-klak, hoorde je. Met de woorden, opgeruimd staat netjes, verzegelde Eugène zijn werk. Het cynisme kwam weer bovendrijven in deze man, iets waarvoor hij vroeg of later gestraft zal worden .Dat wist ik zeker, want god hoort en ziet alles. Mijn vader heeft dat er al vroeg bij mij ingepeperd. ‘’Zullen wij dan nu nog even een kijkje nemen in de lijkensnijderij’’, gniffelde Eugène op sarcastische wijze. ‘’Je bedoelt de obductieruimte’’, zei ik. Hij knikte instemmend. ‘’Is het niet beter om naar de afdeling terug te gaan, de patiënten hebben onze hulp nodig’’. ‘’Oh je durft niet’’, reageerde Eugène. ‘’Jawel hoor, maar laten wij dat maar een andere keer doen. ‘’Ik heb het hier nu wel gezien’’. ‘’Prima’’, antwoordde hij. ‘’Laten wij het bed weer meenemen, dat moet naar de beddencentrale voor een sopbeurt’’. Ik keek nog even naar het bordje van de heer X  en las daarbij zachtjes zijn naam en geboortedatum op. Een stukje eerbetoon mijnerzijds.

Maar wat zag ik nu, er stond eenentwintig i.p.v. twintig en ik wist toch zeker dat het de verjaardagsdag van Adolf Hitler moest zijn. Direct bracht ik Eugène op de hoogte. Zonder een woord te zeggen verifieerde hij mijn constatering. ‘’Je hebt gelijk’’, riep hij uit. ‘’Hoe is het mogelijk om zo,n stomme fout te maken, gelukkig maar dat jij het ziet’’. Met een bedrukt gezicht veranderde hij de een in een nul. ‘’Zeg, weet je zeker dat er twintig op zijn teen label staat’’, vroeg hij mij. ‘’Jawel hoor, was toch dubbel check’’, antwoordde ik rustig. Ik wilde niet meteen met Adolf op de proppen komen, die mij een absolute zekerheid verschafte. ‘’Ik moet het zien’’, zei Eugène vastberaden en opende de deur. Hij trok de slede langzaam tevoorschijn, en wij zagen direct dat er iets vreselijks aan de hand was. Het laken lag er half open bij, en er zaten enorme donkere bloedvlekken op. Wij stonden aan de grond genageld, en konden geen woord uitbrengen. Eenmaal van de grootste schrik bekomen, ontvouwde Eugène het laken, om X beter in beeld te krijgen. Hierbij droop er een straal stinkend bloed over zijn witte broek. ‘’Gadverdamme’’, siste hij, en vroeg mij een handdoek en handschoenen te halen uit het kastje bij het bureau. Onderwijl voelde hij aan zijn halsslagader, ‘’geen pulsaties’’, zei hij hardop. Dhr -X lag half op zijn zij, met opgetrokken knieën en zag er weerzinwekkend uit. ‘’Moeten wij hem niet reanimeren’’, vroeg ik. ‘’Ben je gek geworden, hij heeft een NR-beleid’’, snauwde hij, terwijl hij met het handdoekje de smurrie van zijn broek veegde. ‘’Wat staat ons nu te doen’’, vroeg ik zachtjes.

Met het zweet op zijn voorhoofd keek Eugène naar het teenlabel waarop 20-04-1923 stond vermeld. Hij haalde diep adem en zei, ‘’ik zal eerst contact gaan leggen met de arts, waarschijnlijk dr. van Weegen en hem het heuglijke nieuws melden’’. ‘’Reken maar dat hij snel ter plekke zal zijn, bovendien moet hij officieel alsnog de dood vaststellen’’. Eugène schraapte zijn keel en voegde er aan toe, ‘’als ik klaar ben met het fijne telefoongesprekje zullen wij dhr X weer in bed leggen’’. ‘’Wij zullen hem, nadat de arts is langs geweest, opnieuw moeten verzorgen’’. ‘’Hij moet er straks weer toonbaar bij liggen’’. ‘’Dat begrijp ik goed’’, zei ik.

Tien minuten later verscheen inderdaad dr.van Weegen op het toneel. Hij was niet in zijn eentje komen opdraven, maar werd vergezeld door zijn baas. Deze man stond bekend als een strenge, maar rechtvaardige persoonlijkheid, een met een grote staat van dienst. Het was een statig figuur met een sterk charisma. Hij was de longarts en tevens chef de kliniek. Op zijn smetteloze, witte jas, stond in sierlijke letters geborduurd, dr. F van Vuuren. Mooie boel hier, had hij gezegd. Dr. van Weegen keek zijn baas nerveus aan. Hij was vast degene geweest die dhr- X enkele uren eerder had dood verklaard. Dat kan haast niet anders, realiseerde ik. Het duo begaf zich nu aan het bed van dhr-X, die er werkelijk afschuwelijk bij lag. Het leek erop of hij op een gewelddadige manier was vermoord, overal zat dat donkerrode bloed, de stank ervan was ondraaglijk. Een bedenkelijke plooi verscheen in het voorhoofd van de chef de kliniek. ‘’Dat ziet eruit als een longbloeding’’, had hij gezegd. ‘’Breng mij handschoenen en een schort’’, sommeerde hij zijn assistent. Deze erudiete man begon inmiddels tot mijn verbeelding te spreken, zijn imposante manier van doen vertoonde macht, iets wat ik ook wel zou willen. De hoogstaande arts onderzocht dhr-X en na een paar minuten doorbrak hij de stilte. ‘’Hier kleeft een gerechtelijke procedure aan vast, en er zal een lijkschouwing moeten plaats vinden om de werkelijke doodsoorzaak boven water te krijgen’’, zei hij plechtig. Hij trok zijn schort los, dat daarbij op de vloer viel, en wierp zijn handschoenen erbij. Eugène raapte het bijeen, en deponeerde het in de vuilnisbak. ‘’Nu even iets anders’’, klonk er door de ruimte met de zelfde plechtige stem, maar o zo dwingend. ‘’Ik wil van deze twee broeders horen wat er hier precies heeft afgespeeld, graag stapje voor stapje’’.

Eugène en ik deden daarop ons verhaal en dr. van Vuuren luisterde aandachtig, zonder oogcontact. Na afloop zei hij, ‘’het is mij duidelijk’’. ‘’Wij hebben hier van doen met een gediplomeerd verpleegkundige, die zijn leerling geen dubbele check laat uitvoeren bij het plaatsen van het definitieve bordje’’. De dokter vervolgde zijn betoog, met gecontroleerde armgebaren aangestuurd vanuit zijn machtige brein. ‘’Ik moet er toch niet aan denken dat de uitvaartinstantie dhr X zo had aangetroffen, dan had het schandaal nog groter geweest’’. De opperarts slikte eenmaal met zijn ogen dicht, waarbij zijn adamsappel prominent in beeld kwam. Het leek net alsof hij een miniglobe naar buiten wilde werken, om zich te ontdoen van al het wereldse kwaad.

“Daarom prijs ik deze broeder voor zijn alertheid” zei hij, en hij keek mij daarbij goedkeurend aan, zoals een vader kijkt naar zijn zoon die iets positiefs verricht.

“Je bent een verdienstelijke herder”, voegde hij er aan toe,”iemand waar wij er veel meer van zouden moeten hebben binnen de gezondheidszorg”.

Ik voelde mij er een beetje ongemakkelijk onder, hoewel zijn lofuiting jegens mij meer dan welkom was. Dr. F van Vuuren richtte zich nu tot zijn assistent en Eugène. ‘’Luister goed’’, zei hij met een ernstige stem. ‘’Wij moeten de dood te allen tijde bloed serieus nemen, het is aan jullie om de waardigheid te bewaken en uiterst zorgvuldig te blijven’’. ‘’Jullie zijn de herders van god’’. ‘’Verleden maand woonde ik nog een congres bij te Bazel’’. ‘’Hier hield de hoogleraar, dhr Stig een lezing waarbij hij pleitte voor een extra dubbel- check’’. ‘’Ik ben het niet altijd eens geweest met het gedachtegoed van dhr Stig, maar in dit geval sta ik faliekant achter hem’’. ‘’Maar goed, nu weer even tot de orde van de dag’’, zei hij zachtjes op een toon van, je kunt nog iets verwachten. Eugène en assistent van Weegen keken dr.van Vuuren onderdanig aan. ‘’Ik gebiedt jullie beiden om de heer X te gaan verzorgen en de procedure naar behoren af te handelen’’. ‘’Verder zal ik contact met de familie opnemen, en de hoofdverpleegkundige inlichten’’. Na dit gezegd te hebben, wendde dr. van Vuuren zich tot mijn persoon. ‘’Jij gaat met mij mee naar boven, je hebt als leerling broeder al genoeg indrukken op gedaan’’. ‘’De patiënten wachten op hulp, iets waar jij voor in de wieg bent gelegd’’, zei hij lovend. Een week later trof ik dr. F van Vuuren in een hele andere situatie aan. Ik had gewerkt die dag, en stond te wachten met mijn fiets voor het rode licht. Het was mooi weer, en mijn aandacht ging uit naar een passerende auto die langzaam reed en nogal opviel. Het was een witte porsche met open dak. Op de motorkap stond een grote zwarte adelaar afgebeeld. Achter het stuur zat de man die ik zo hoog heb zitten, naast hem zat een blondine. Er klonk muziek vanuit zijn automobile. “Feels like heaven”.

Een herfst van goud.

Het is herfst, heb zojuist mijn Bently de garage in gereden en mijn bladblazer te voor schijn gehaald, want mijn oprijlaan valt nog nauwelijks te traceren.
Lekker dacht ik, even een moment voor mij zelf.
Dat heb ik wel meer in deze periode als de bladeren vallen. Ik was nog maar net aan het bladblazen toen ik mijn buurman opmerkte, die vanaf zijn gazon, driftig armgebarend mij op iets wilde attenderen, dat schijnbaar direct met mij van doen had. 
Prompt daarop voelde ik een hand op mijn schouder, ik draaide mij om, en stond oog in oog met een sensatieachtig heerschap die werd vergezeld door een cameraploeg. Ik staakte het bladblazen, en nog voordat ik kenbaar kon maken, dat het gezelschap zich op prive-terrein bevond en moest opzouten, werd mij medegedeeld dat ik de hoofdprijs had gewonnen in de staatsloterij.
Die zelfde avond nog, heb ik mijn wijnkelder met een bezoek vereerd, om twee flessen uit drieenzestig te scoren. 
Deze jongen heeft in duplo zijn geboortejaar soldaat gemaakt en niemand iets verteld. 
Oh, wat was ik gelukkig. 
Soms heb je van die dagen dat niets wil vlotten en dat alles tegen zit. Zo,n dag had ik verleden jaar, toen ik een kerstboom voor de jongens wilden opzetten. Ik had die dag weinig tijd en moest nog allerlei andere zaken regelen, bovendien had ik de jongens in het vooruitzicht gesteld dat ze na schooltijd de kerstboom mochten optuigen. 
Dus ik dacht ik, schaf snel eventjes een kunst-kerstboom aan, lekker makkelijk, lichtjes zitten er al in, uitvouwen die handel, huppete.
Kom thuis met die boom, zet een schaar in de doos, en knip pardoes de verlichting door. Mooi balen dus, hafijn, dat los ik wel op met een kroon-steentje, zo gezegd,  zo gedaan. Nu nog even de boom opzetten en klaar is Kees, mompelde ik. Vervolgens ontbrak het top gedeelte. Dus ik weer terug , om hem  in te ruilen.
Eenmaal thuis met het nieuwe exemplaar, ben ik snel aan de slag gegaan, want die middag moest die staan, ik had het ze beloofd. Maar je wilt het niet geloven, er zaten geen lichtjes in. Een kerstboom zonder lichtjes kon ik niet verkopen aan de jongens, gelukkig had ik nog een set kerstverlichting liggen van het jaar daarvoor, en heb toen handmatig alle lampjes geplaatst (100-stuks), nadat ik eerst alle takjes in model had gevouwen, en neem van mij aan, dat  is een enorme klus. Gelukkig deed de verlichting het, die had ik in al mijn haast en frustratie niet gecontroleerd. 
De boom stond uiteindelijk, een pak van mijn hart in drieenhalf uur, weliswaar zonder ballen, maar daar zouden de jongens voor zorg dragen. En die zelfde avond nog, stond onze kerstboom in vol ornaat.
Net als vroeger bij ons thuis, kerst op kanaleneiland! 
Vlaflip.
Heel even,denk ik aan het verleden,
bij ons thuis, aan het avond eten.
Het zijn de rituelen, zal ze nooit vergeten.
Zo zuiver zijn mijn beelden, zo helder als glas.
Iedere avond, samen aan tafel. 
Andijvie, en hutspot, spinazie en rode kool.
Veel kwam voorbij, witlof, een spiegelei.
Echt lekker was de boerenkool met worst.
En iets dat nooit ontbrak, was het toetje.
Welbeschouwd, een beker vla. 
Chocoladevla, vanillevla, hopjesvla en blankevla met suiker.
Een wereld vol vla, vla als lava.
Ekstra leuk was een snor van vla.
Een bruine snor, een gele snor, een witte snor.
Maar wat pas echt het einde was, was een vlaflip.
Wat was ik dan blij, als zo,n vlaflip op tafel kwam.