Ach, alle vakanties die wij samen met ons gezin, de familie Pisa, hebben door gemaakt, zijn zonder meer een documentair zal u de sfeer impressies geven die een beeld schetsen over de gang van zaken, gedurende de jaren zeventig, tachtig en negentig.

 

Allereerst is het van belang om te noemen, dat mijn vader, werkzaam was bij de PTT. Ieder jaar kon hij gebruik maken van een vakantie huisje op de veluwe. Het staatsbedrijf had destijds dit in het leven geroepen, om het personeel te dienen. Het klinkt nogal D.D.R-achtig, maar de grondbeginselen van een verzorgingsstaat hebben nu eenmaal affiniteit met het voormalige Oost-Duitse bewind.Daar kun je niet om heen, hoewel er grote gradatie verschillen zijn.

 

Die vakanties vonden voornamelijk plaats op het landgoed Stakenberg, een park dicht gelegen bij het dorp Elspeet.

Het hoofdkwartier was het hotel, het hoge hout, daar zaten dan voornamelijk gepensioneerde PTT gasten.

Het aanspreekhuis voor de nog in dienst zijnde PTT gasten, inmiddels KPN. volk, was het zonnetje, een prachtig gelegen huis op een heuvel, daar waar de heer Zagenbeek, als beheerder zijn bewind voerde.Die Zagenbeek was nogal een gereserveerde persoon, die weinig hartelijkheid gaf, hij vertoonde waarachtig een grote gelijkenis met dat van een uil, droeg een grote bril, en was zoals ik al zei, afstandelijk ingesteld. Ik weet nog dat wij eens geen toiletpapier meer hadden, en mijn vader me vroeg om een paar rollen bij de beheerder te halen.Dus ik naar het zonnetje, trof de uil achter zijn bureau aan, en vroeg hem om toiletpapier. Hij keek mij glazig aan met zijn uilenbril, en vroeg in welk huisje wij zaten. Ik antwoordde, in de fazant. De fazant, zei hij met enige veroordeling in zijn stem. Wil je tegen je vader zeggen, dat het geen gewoonte mag worden om hier toiletpapier te komen halen. De uil gaf mij twee rollen mee.

 

Het terrein Stakenberg was een prachtige, gelegen enclave temidden van de bossen. Er stonden vele huisjes, die ver genoeg van elkaar lagen om privacy te waarborgen. Er waren drie categorieën huisjes, de jongste groep huisjes dateerde uit midden jaren tachtig, hadden een verdieping en een puntdak, en waren behoorlijk gehorig. De een na jongste groep, waren huisjes die midden jaren zeventig zijn gebouwd, gelijkvloers en de gevels waren gemetseld van donkerrood, bruine  baksteen. De oudste groep huisjes, waren de mooiste. Deze eerste huisjes dateren uit eind jaren zestig, hadden iets weg van kleine kleuterschooltjes, bezaten grote ramen en hadden een Anton Pieck-achtig karakter. De meeste huisjes hadden vogelnamen, de merel, de havik etc. Er was een huis, dat op een bijzondere plek stond, het lag afgelegen en verscholen in een hoek van het terrein. Het stond op een soort terp, en was uit hout opgetrokken, het had iets weg van een chalet, stond mooi in de verf, en had blinden. Het huis bezat een mooie naam, Junipera. Wij hebben er drie weken, in de zomer mogen zitten, in 1972. Voor het huis lag een zandplaats, waar mijn broer en ik een voederplek aanlegden en deze afbakenden met stenen die wij hadden verzameld. Als je vanuit Junipera richting het huis van de beheerder liep, kon je ook een andere weg nemen, die leidde langs het rosarium.

Een oogstrelende plek, met rozengeur en varens. Hier vond ik ooit met mijn vader een dode bosspitsmuis, had ik nog nooit gezien, grappig beestje dat meer lijkt op een molletje dan op een muis.

 

Op stakenberg was ook een zwembad gelegen. Het bad lag midden in het park, overdekt en verwarmd. Hier konden de gasten iedere dag gebruik van maken, ook s, avonds tot negen uur.

Mijn vader ging eens op zo,n avond als enige van ons gezin, een duik nemen, of beter gezegd door het water lopen met schoolslag. Wij bleven met zijn allen in ons huisje. Mijn zus had bij wijze van grap het plan geopperd om de verwarming op de hoogste stand te zetten. Wij zouden dan wachten op vaders thuiskomst, en te doen of er niets aan de hand was. Het plan werd uitgevoerd, en het was al snel bloedheet. Met ingehouden spanning zaten wij te wachten.

Toen hij verscheen, had hij aanvankelijk niets door. Hij moest nog even acclimatiseren, maar dat lukte juist niet. Het was binnen zo enorm warm, dat ik het zweet in dunne straaltjes van mijn moeders gezicht zag sijpelen. Plots sprong mijn vader uit zijn stoel op, en zei met verstikte stem, wat is hier aan de hand. Wij keken elkaar quasi verbaast aan, en zeiden bijna in koor, wat bedoel je. Het is hier binnen afschuwelijk warm, waar staat de thermostaat op. Iedereen schoot in de lach, uiteindelijk mijn vader ook.

Terug naar Stakenberg, waar de geest moest waaien. Heb eens een levensechte droom gehad, die beangstigend was. De droom was als volgt. Op een gure regenachtige avond, hoorde ik een auto stoppen bij ons huisje. Het was al elf uur geweest en iedereen was naar bed, alleen mijn vader was nog op.Ik hoorde zachtjes het portier in het slot vallen, en vlak daarna voetstappen naderen, Knarsend in het grind. Wie zal dat zijn, zo laat en waarom, schoot er door mijn hoofd. Ik hoorde een paar keer, ingetogen op de deur kloppen. Ik was niet de enige die het had gehoord, iedereen zat al snel klaarwakker in het huiskamertje. Mijn vader die inmiddels had open gedaan, stond nu in de deuropening met iemand te praten. Wie zou het zijn, vroeg mijn zus zich hardop af. Er is wel iets aan de hand, zei mijn moeder. Het zal in ieder geval geen jehova-getuige zijn, reageerde mijn broer gekscherend. Mijn zus stond op,  liep naar de deur, opende deze op een kier om een glimp op vangen van het late bezoek. Het is onze beheerder zei ze, terwijl ze de deur voorzichtig sloot. Het duurde niet lang meer voordat hij weg was. Mijn vader kwam de huiskamer binnen met een stensil in zijn handen waarop het een en ander stond vermeld. Met een bedrukt gezicht, liet hij zich in zijn stoel zakken, en zei dat er een ernstige zaak aan de hand was. Ik zag aan zijn gezicht dat hij was geschrokken van het nieuws, dat hij zojuist had vernomen. Wij hoorden de beheerder nu weg rijden. Wat kwam die dan melden, vroeg mijn moeder ongeduldig. Jah, zeg nou eens gewoon wat er is, reageerde mijn broer geirriteerd. Er zijn vreemde, kwaadaardige, halfhert, halfmens wezens in de nacht op ons terrein actief. Ze rijden rond in geluidloze jeeps en proberen mensen te ontvoeren, die ze dan op een geheime plek in het bos afranselen en langzaam dood martelen.
Dat is onlangs nog gebeurd met een gepensioneerd stel, dat na een avondje kaartspel te grazen werd genomen.
Hun stoffelijke resten werden terug gevonden door een jachtopziender, op de voederakker, hier niet ver vandaan..Waarschijnlijk de voederakker waar jij wel eens bent geweest, zei hij, mij geemotioneerd.
Maar waarom hebben wij daar niets eerder over vernomen. Dat is toch verschrikkelijk. Zoiets gaat toch officieel het circuit in. Mijn moeder nam een diepe ademhaling en vervolgde, daar komt toch politie aan te pas, en dat komt toch  in de krant te staan. Nee zei mijn vader, niets van dat alles. Behalve dan dat de politie er natuurlijk van weet , maar het is een geheime operatie. Ze moeten wel, want anders is de kans nihil dat ze de moordenaars bende kunnen oprollen.
De beheerder vraagt ons strikt dit nieuws niet verder te verspreiden. Er zou anders paniek kunnen uitbreken op Stakenberg, en er zouden andere mensen in gevaar kunnen komen. Maar waarom heeft hij het ons dan wel verteld, vroeg mijn zuster, bijna huilend. Omdat ons huisje aan een van hun, nachtelijke roofmoord- routes ligt.Dat moeten wij weten, vond de beheerder. Zodat wij voorzorgingsmaatregelen kunnen nemen, die staan op dit stensil. Ach moet je nou goed luisteren Co, zei moeder ontgoocheld. Wij gaan toch zeker naar huis, we blijven hier niet. Nee Els, zei mijn vader met vastberaden stem, dat gaat niet, en er liep een traan over zijn wang. Plots schrikten wij op van een indringend en schurend geluid, dat niet ver van ons vandaan was. Mijn broer en ik keken direct door het raam. We zagen een donkere gestalte, die half voorovergebogen tegen een boom,schurende bewegingen maakte. Aan het hoofd zat iets reusachtigs vast. Het lijkt wel een gewei, zei mijn broer. Het figuur staakte zijn actie, en verdween uit ons gezichtsveld. Een minuut later zagen wij allen, een geruisloos voertuig voorbij razen. Opeens werd er gebeld. Wat nou weer, zei mijn broer met stemverheffing. Mijn broer deed open, en er kwam zowaar een heel legertje half-mens// half edelhert naar binnen gemarcheerd in miniatuur. Iedereen was met stomheid geslagen. De half mensjes, half edelhertjes, hielden halt bij de vuilnisemmer en vertelden ons, dat er iets verschikkelijks zou gaan gebeuren.Ze droegen strakke spijkerbroekjes,en sommige van hen hadden een afgebroken gewei.
Mijn moeder liet inmiddels de gootsteen vol lopen met kokend water, en mijn vader veegde  het hele gespuis met stof en blik te samen om er voorgoed mee af te rekenen. Je hoorde ze enorm kermen, tijdens het verschrompelen.Uiteindelijk dreven er alleen nog maar spijkerbroekjes, en wat restanten van geweien rond.Schattig, die broekjes, dat daar van die vreselijke monsters in hebben gezeten, zou je nooit verwachten, zei mijn zuster.Wat een ellendige droom, dacht ik, waar ging het over.Toen ik de gang weer binnen trad, zong er water in de keuken, In de huiskaner was moeder bezig met het gereed maken van de ontbijttafel. Je bent waarachtig niet laat, zei ik Vader heeft een bevlieging, antwoorde ze. Hij wou vroeg op staan en vandaag hard werken. Ik keek haar scherp aan. Haar gezicht stond effen Mijn vader kwam uit de keuken binnen, in borstrok en met zijn bovenbroek reeds aan.De bretels hingn aan tot op de grond, zijn gezicht was nog vochtig. Morgen vader, zei ik, ik moet opletten, dacht ik, ik moet scherp toezien.
Wij zijn ook eens met zijn drietjes, op een avond naar het Hoge hout gegaan om jagermeister te drinken.
Mijn broer en ik, en mijn vader. Dat jagermeister een pittig drankje was, dat wisten we wel. Maar dat je na drie drankjes daarvan, zo flink aangeschoten kon raken, was nieuw voor ons. Het heeft echt een verradelijk effect, zeker als je daarna in de koude buitenlucht komt. Wij liepen met zijn drietjes richting ons huisje terug, en op een gegeven moment liepen mijn broer en ik een eind voor mijn vader uit. Mijn vader had nog even staan kijken naar een van de huisjes waar wij eerder in hadden gezeten. Hij hield dat allemaal bij op een kaart, zo kon je met een oogopslag zien, waar wij allemaal gezeten hadden. Inmiddels stond die kaart vol vogelnamen, en hier en daar een zoogdier. Mijn broer en ik waren intussen terug in ons huisje. Waar blijft vader toch, had mijn moeder gezegd. Die zal er zo wel aankomen, maar duurt inderdaad wel lang, reageerde ik. Daar kwam hij binnen zetten, met een schaapachtig gezicht. Wat zit je te grijnsen man, zei mijn broer. Ik ben het verkeerde huisje ingestapt, zat hiernaast in de eekhoorn, die huisjes zijn in het donker haast niet te onderscheiden van elkaar.
Ik was mijn orientatie gevoel even kwijt, en dat met die alcohol. Ben je het verkeerde huisje ingestapt, dikte ik aan. Hoe is het mogelijk, je ziet toch wel dat het anders is. Nee, zei mijn vader, het leek sprekend op het entree bij ons. Pas toen ik die huiskamer betrad, en een vreemd stel verstrengeld met elkaar zag zitten, wist ik dat ik fout zat.
Wij barsten in lachen uit. Zeiden die mensen dan niets,vroeg mijn moeder. Ze merkten mij laat op, en voordat ze wilden reageren, had ik al gemeld verkeerd te zijn en excuus gemaakt. Wat waren dat voor mensen, verstrengeld en zo, vertel eens, vroeg mijn zus met een sensationele intonatie in haar stem. Ik meen dat het de beheerder was, met een vrouw die ik nog nooit gezien heb. In ieder geval, was het niet zijn eigen vrouw, want……Nee pa, meen je dat echt, was het echt die uil, vervolgde mijn zuster. Ik dacht dat die man zo cristelijk was. Mijn moeder liet nu ook van zich horen en zei, ik sta er niet echt van te kijken hoor, als je ziet hoe hij soms zomers in zijn open jeep er bij zit. Met geheel ontbloot bovenlijf en een kort broekje aan, het blijft een rare vent. Bovendien is zijn rijgedrag ook verwerpelijk, die man rijdt toch veel te hard. Mijn vader was gaan zitten, en vroeg aan mij om morgen toch nog maar een rolletje closetpapier te halen, en of ik dan ook zou kunnen vragen, om een ekstra rolletje voor de eekhoorn.

In de Junipera vakantie, zoals eerder beschreven, kregen mijn broer en ik ieder een klein zakmesje van mijn ouders.
Op zo,n zakmesje stond de inscriptie, groeten uit Elspeet. Wij speelden dan landpikkertje. je trok met het mesje een rechthoek in het zand, en verdeelde het vlak door midden. Het was dan de bedoeling om het mes, zodanig in het vlak van je tegenstander te mikken, dat het mes bleef staan op een punt, om zo groot mogelijk gebied in beslag te kunnen nemen.
Als dat mes stond, trok je vervolgens een lijn vanuit het insteekpunt, in lengterichting twee kanten uit.
Het was eigenlijk al snel een heel saai spel, want je ging uiteindelijk alleen maar mikken op de absolute grenslijn van je opponent, om hem direct uit te kunnen schakelen. Om dat te fiksen, was gewoonweg niet te doen, dat was te moeilijk. Dat levert bij kinderspel te weinig rendement op. Die kleine schattige mesjes vervullen mij met nostalgische gevoelens.Dat in tegenstelling, tot het feit dat wij later als pubers rond liepen met grote knipmessen en ploertendoders.
Om over de rest maar te zwijgen.

Ik heb maar een keer tot op heden een adder gezien. Het was op de verharde weg die langs het landgoed Stakenberg loopt. Wij gingen die ochtend brood halen in het dorp, en plots zag ik iets over de weg kronkelen. Het kan een adder of een ringslang zijn, zei mijn vader. Ik zag al snel dat het om een adder ging, want hij was getekend met een zig-zag streep. Bovendien had een ringslang in dit gebied weing te zoeken, die heeft waterrijk gebied nodig, dat is zijn biotoop. Zal mijn vader wel echt een otter in het wild hebben gezien, schiet nu in mijn gedachte. Zou het geen flinke bisamrat zijn geweest, of een hondje dat onverhoeds een duik nam, Luister, ik zal het een en ander toelichten. In de  zomervakantie van 1978, waren wij in drenthe. om precies te zijn in het gehucht Zwinderen, dat ligt aan de verlengde hoogeveense vaart. Net buiten het dorp loopt een waterstroompje, genaamd het loodiep. Dat stroompje is  een natuurlijke beek, die zuidwaarts helemaal naar Coevorden leidt, en die ontspringt vanuit een zandplaat op zo,n zes kilometer ten noordoosten van het dorp Gees. Een prachtige beek met galshelder water, dat stroomt door bos en hei, en akkerland. Ik heb er grote ruisvoorns gevangen, en snoek aan dood aas. In deze beek zag mijn vader op een avond, een vreemd kopje uit het water opsteken. Kon het niet direct plaatsen, maar beweerde later stellig van doen te hebben gehad met een visotter. Een unicum, want de otter was toen al zeldzaam en beschermd. Ik heb jaren later een fascinatie voor dit zoogdier ontwikkeld, ben er over gaan lezen, en ik heb de otter als thema gekozen voor een schilderij. Ik heb ooit een boekje in handen gekregen, dat ik vond in de Slegte. Daarin stond op een kaartje aangegeven, het verspreidings gebied van de otter gedurende de jaren zeventig.En jawel hoor, er was inderdaad een kleine markering op de hoogte zuid-oost drenthe. Mijn vader heeft dus echt een visotter gezien. Het mooie beest, dat aan het hoofd stond van de voedsel keten, stierf uit in 1988. Toen werd het laatste exemplaar dood gereden op de A7 tussen Joure en Sneek. 

Eind jaren negentig, besloten wij in de vooravond wild te gaan kijken. Samen met mijn zus en zwager, en met mijn vader. Het was al ietsje schemerig, toen wij vertrokken. Wij liepen het stakenberg terrein af, staken de hei over richting een bosperceel waar ik wel eens eerder was geweest. Daar was namelijk een voederakker dat gelegen was in een gebied waar je niet mocht komen, Op een groen, rood omrand bordje stond vermeld, STRENG VERBODEN TOEGANG-RUSTGEBIED VOOR GROF WILD. Wij zouden daar eens een kijkje gaan nemen. Mijn vader was uitgerust met een enorme lantaarn, waar wel zes grote batterijen in gaan. Inmiddels was het echt schemerig geworden en bereikten we het bordje. Met zijn vieren achter elkaar liepen wij haast geruisloos naar de voederakker toe. Daar stond ook een uitkijktoren, nogal veel belovend vond ik . Maar er was die avond niets te zien, teleurgesteld trokken wij ons terug. We liepen nu niet meer samen. Ik kwam als eerste bij de zandweg die langs het verboden gebied liep en zag in de verte een grote terreinwagen met gedempte lichten onze kant uit komen.Mijn zus en zwager stapten op dat moment het bos uit, even later gevolgd door mijn vader.Rustig liep ik in de richting van de tegemoetkomende auto. Mijn zus en zwager, waren zo honderd meter achter me, gevolgd door mijn vader, op zo,n tien meterafstand. Nu was de terreinwagen vlak bij, en ik zag direct dat het een boswachter was. Er stond STAATSBOSBEHEER vermeld op de portier, die hij direct openzwaaide na te zijn gestopt. Hij sprak mij aan met de woorden, zeker op de voederakker geweest, he.Ik keek hem recht in de ogen aan, op een zwoele manier en zei niets.
Hij herhaalde zijn vraag, maar nu dwingender.Ik was hem al die tijd recht blijven aan kijken. en hield daarbij het zwoele aan, maar pruilde nu ook mijn lippen, en boog mijn hoofd daarbij opzij. De opziender wist mij niet te peilen, en ik geloof dat ik ook zo kan kijken als ik verliefd ben. Er lag een geweer op zijn stoel naast hem, een karabijnachtig wapen, intimiderend dacht ik. Ik zei niets, daar waren nu ook mijn zus en zwager.Zijn jullie op de voederakker geweest vroeg hij aan ze.Ik heb jullie het bos uit zien komen. Zus en zwager, lachten flauwtjes, waarop ik toen zei. Mijn zwager heeft jeugdreuma, als hij moet plassen, moet hij daarbij geholpen worden. Mijn vader kwam inmiddels aan lopen met zijn enorme lantaarn. Kijk zei ik, tegen de boswachter, mijn vader schijnt daar mee bij, anders plast hij zijn broek onder.De boswachter wist niet waarmee hij te maken had. Misschien dacht hij wel, van doen te hebben met twee geestelijke gehandicapten, en twee begeleiders of zo. Er zitten genoeg van die instellingen in deze contreien.Jullie moeten het bos uit, want op dit tijdstip is dat wettelijk bepaald. Mijn vader, die tot op heden de zaak in het geheel niet kon volgen, begon zich boos te maken, dat zag ik aan hem. Hij heeft  een paar vervelende ervaringen gehad met een bos en parkwachter.
Daarbij werd hij onbeschoft bejegend, dan zal hij nu eens even revanche nemen, maar ik temperde hem door te zeggen. Pa, het is goed zo, laat maar, het is in orde. Op de terugweg naar ons huisje, hebben wij echt in een lachstuip gelegen.Trouwens zo,n beroep als boswachter, daar kleeft een vreemd profiel aan vast. Het zijn bepaalde soort mensen, die autoritair zijn ingesteld, en contactueel arm. Het valt mij op. dat veel beroepen die beginnen met een B, rare mensen trekt. Denk maar eens aan, boer-badmeester-brugwachter-bakker-beiaardier-banketbakker-bolletjesslikker-buschauffeur-bootman-bloemist- bij rijder- benzinepomphouder-beveiligingsbeambte- belastingadviseur-buikdanser-ballerinna-beul-bandarts-bedicure-bocter-byscholoog-byschyater-bexuloog, en tenslotte een bardappelkweker. Daarintegen zijn de mensen die beroepen uitoefenen die beginnen met een S, verstandige, en empatische mensen, die gevoel voor humor hebben en intellectueel zijn, Schilder- schrijver-stuntman-saxofonist-schoenontwerper-schoolmeester-straaljagerpiloot-sinterklaas, met uitzondering van de strandtenthouder, dat is een opportunistisch figuur die altijd iets te klagen heeft, ookal loopt hij binnen.Dan zegt zo,n strandtenthouder, maar we moeten het wel hebben van deze korte periode, dan moeten wij ons geld verdienen voor het hele jaar.Daar geloof ik nou helemaal niets van, dacht je nou echt dat zo,n vogel de rest van het jaar niets anders verdiend. Ik moet er altijd weer om lachen, als ik dat hoor.