“Zeg jongen, je moet nu echt naar bed, het is al half tien geweest.” “Ach papa, mag ik het boek nog even uitlezen, het zijn nog maar een, twee, drie, vier bladzijdes.” “Nee schat, het is genoeg geweest zo, ga je tanden poetsen.”
“Lees morgenochtend je boek maar uit, je had al lang op bed moeten liggen.”
Met een zucht hees hij zich overeind en begaf zich langzaam richting badkamer.
Ik sloeg hem gade en zag nu duidelijk dat hij een groeispurt had ondergaan. Het was mij van de week ook al opgevallen, maar toen had hij nog van dat lange haar.
Nu met dat korte koppie, viel zijn lengte meer op, eveneens als zijn langere armen en benen, en zijn toegenomen schouders. Ik hoorde het water stromen en hem zijn mond spoelen, even later verscheen hij in de deuropening in afwachting op mij om naar zijn bed gebracht te worden. Vanuit mijn stoel zei ik, “wat ben je opeens groot geworden, je bent zo gegroeid, heb je het zelf ook in de gaten.” “Jawel”, zei hij, met enige trots in zijn stem en vervolgde, “sinds ik  terug ben van vakantie, is het aanracht een stuk lager geworden.” Hij kwam naar mij toe, en vleidde zich neer op mijn schoot. De grote baby had zijn arm om mijn hals geslagen en zijn hoofd op mijn borst te ruste gelegd, zijn benen hingen daarbij ongemakkelijk over de armleuning. Deze pose deed mij een beetje denken aan het schilderij van de barmhartige samaritaan die het slachtoffer in positie helpt te brengen.
Zachtjes wreef ik mijn zoon over zijn blote nek, en fluisterde, ” ik breng je naar boven toe.”
Toen hij zijn bed in kroop moest hij gapen. Ik zei hem welterusten en zoals altijd, zei hij welterusten terug.
Hoewel ik altijd, nog lang niet, zou gaan slapen.

De volgende ochtend had hij met zijn broertje het idee te berde gebracht om samen naar de grootste speeltuin van Europa te willen gaan.
In eerste instantie zag ik dat niet zo zitten, want het is een heel gedoe om dat te organiseren, dus ik liet het nog even in het midden. Maar goed, nadat ik een terugblik had gehad over een soortgelijke situatie, waarbij ik zelf als kind mijn ouders over de streep wilden helpen om met ons gezin naar de maarseveense plassen te gaan om te zwemmen, stemde ik toe. De jongens waren razend enthousiast, en omhelsde mij. Trouwens, om destijds mijn ouders over stag te laten gaan, gebruikte ik de woorden ” het is lekker fris,” als jonge jongen kwalificeerde ik dat zinnetje louter als positief en uitnodigend, niet wetende dat ik in dit specifieke geval alleen maar de drempel hoger opwierp om te zullen gaan, maar wij gingen uiteindelijk toch. 
O.K dan, wij dus met zijn drietjes naar de grootste speeltuin van Europa toe.
Met de bus en de trein, het heeft iets knus om samen met je jongens te reizen, vooral met de trein.
Zo,n open huiskamertje met overal ramen om je heen, fungeren als beeldschermen waarop  live-tv is te zien,  zoveel zenders en vreemde mensen, die allemaal meedoen aan het leven.
En dan de telefoongesprekken die worden gevoerd, die je soms letterlijk kan volgen. Zo was er eentje, die ging over ene Dickie, die s,avonds niet kon blijven logeren omdat hij nog geen rijbewijs had. Waar gaat dit over, denk je dan.
Nee, saai is het waarachtig niet.
Bij de speeltuin aangekomen namen wij plaats in de rij die opschoot.
Eenmaal binnen, wisten de jongens van gekheid niet waar te beginnen, zoveel attracties en mogelijkheden.
Als dolle honden renden ze rond om het paradijs af te tasten. Al snel waren ze bij de spectaculaire glijbaan beland, waar ze onvermoeibaar telkens weer hun vloermat mee naar boven sleepten om hun tocht te kunnen maken.
Hierna kwamen we aan bij een toestel dat in mijn optiek niet zozeer was bedoeld voor de leeftijdsklasse van mijn oudste zoon, maar dat zag hij geheel anders. Het betrof een radconstructie, waarin een stoeltje hing waarin hij plaats nam. Ik zelf, moest  gaan zitten op een soort fietspaard dat in verbinding stond om hem rond te fietsen. Het draairad was ongeveer drie meter hoog en het leek mij voor een elfjarige nogal saai. Bij de persoon in kwestie was daar niets van te bespeuren, en met fonkelende ogen spoorde hij mij aan om flink door te fietsen. De krachtinspanning die ik ervoor moest leveren stond niet in verhouding tot het resultaat, in slakkengang bewoog hij zich tegen de klok in naar boven toe, zijn te lange benen bungelden daarbij als of het leek dat hij zo de grond kon raken. Ondanks de moeite die ik moest opbrengen, was er genoeg ruimte in mijn hoofd om filosofisch af te dwalen. Deze grote baby, waar ik zoveel van hou, bracht ik met zijn kindergeest in een te groot lijf naar het twaalfuur punt terug. “Laat hem alstublief nog klein zijn”, zei ik in mij zelf,” het lichaam heb ik verloren, maar de geest is er nog”.
Vanaf het twaalfuur punt ging het fietsen mij een stuk gemakkelijker af, de zwaartekracht deed mijn zoon schoksgewijs afdalen, waarop hij zei,” niet zo snel papa, het is een beetje eng.” Ik matigde de afdaling ekstra langzaam, in de wetenschap dat als hij de grond weer onder zijn voeten zou voelen, ik hem voor altijd zal verliezen. 

Ik zag mijn tienjarige zoon staan temidden van een aantal leeftijdgenootjes, die hij zojuist  had leren kennen door het initiatief van onze overbuurman, die een aanzet deed om de jongens met enige grappen en grollen tot elkander te binden.Deze buurman onderbrak plotseling zijn goed bedoelde actie, om een campinggast van dienst te zijn die blijkbaar iets wilde informeren.In afwachting op de afsluiting van het hinderlijke onderonsje gaf mijn zoon zichzelf intussen een houding door lukraak wat blaadjes te plukken van een amandelboompje.Opeens was er zoiets van een grote mensengrap, waar de twee volwassenen flink om moesten lachen.Tijdens het gelach, waar mijn zoon niets van begreep, keek hij naar de grond en lachte mee.