0-
Het is het verhaal van mijn vader, dat ik in mijn jonge jeugd voor het eerst aanhoorde.
In februari 1947 liep hij als tienjarig jochie met zijn kornuitjes achter een marskramer aan. De koopman verkocht veters en prentkaarten, maar trok vooral de aandacht vanwege zijn gezelschap van een hazewindhond dat een aapje met zich mee droeg. Dat aapje klom plotseling in de Gijsbrecht van Walenborgstraat via een regenpijp een slaapkamerraam binnen. De bewoonster die van achter het raam het schouwspel had staan volgen had het onraad al snel in de smiezen. Ze verscheen in de deuropening met zwaaiende armen en beet de marskramer toe,” haal die aap uit mijn huis”. De marskramer wendde zich tot de meegereisde jeugd en vroeg of iemand even het aapje uit huis kon halen.
Mijn vader gaf hieraan gehoor en betrad de woning. Hij steeg de trap op richting de slaapkamer, waar het beest huis hield.
Toen mijn vader de deur opende werd hij direct besprongen en toegetakeld.
Met zijn staart tussen zijn benen droop hij af. Hij heeft het moeten bekopen met een paar lelijke schrammen.
Achteraf gezien heeft mijn vader geluk gehad, want de koopman die uiteindelijk zelf zijn aap ging halen werd meerdere malen in zijn gezicht en handen gebeten.
Bebloed en buiten adem kwam hij met het mormel in een jutezak naar buiten zetten.
Het dier krijste en bewoog als een wilde.
De hazewindhond bleef uiterst kalm tijdens het spectakel.
Later, vroeg mijn vader zich af, hoe het met het aapje zou zijn afgelopen.

1-
Mijn vader zei altijd ” kijk daar is de munt, daar wordt al ons geld gemaakt dat wij allen zo behoedzaam mogelijk trachten uit te geven”.

2-
Hij zei ook altijd, dat die jockeys in die karretjes bij het paardenrennen enorm licht zijn, zodat de kans om te winnen groter is. Als kind sta je daar niet direct bij stil, maar het komt mij wel onwaarschijnlijk voor de geest dat ik het niet opmerkelijk zou hebben gevonden als er een corpulent figuur in het rijtuigje dienst deed.

3-
Als er een motorcross op televisie was, een zij-spanrace over heuvels op zondagavond bij studiosport.
Dan zei mij vader altijd, ” al die gasten dragen niergordels zodat hun ingewanden beter op zijn plaats blijven zitten”.
Ik vroeg eens of de man met de vlag die de finish aan duidt ook een niergordel droeg, waarop mijn vader geen antwoord gaf.

4-
Mijn vader zei altijd, dat zijn moeder eens een ster heeft zien vallen, en dat ze er een stukje van op straat had opgeraapt.
Ik geloofde dat.

5-
Mijn vader vertelde meer dan eens, dat als het vroeger bliksemde en donderde zijn moeder de rozenkrans in haar handen nam om te bidden tot onze lieve heer, of het in hemels naam mocht ophouden.

6-
Mijn vader heeft ook verteld, dat zijn oma eens een traan van bloed heeft zien rollen over het gezicht van het jezusbeeld.
Ik geloofde dat.

7-
Mijn vader vertelde, dat zijn moeder in de oorlogswinter samen met haar zuster op houten banden naar drenthe was gefietst om voedsel te scoren. Dagen later kwam ze terug met proviant, waaronder een haas.

8-
Mijn vader moet niets hebben van clowns, en eet ook geen gevogelte. Een van zijn leukste grapjes is het mopje over de duif. “Weet je hoe je het beste een duif kan vangen”, vroeg hij eens aan mij. Ik was het antwoord schuldig en na enige ogenblikken stilte zei hij met een lach in zijn ogen, ”door eerst zout op zijn staart te strooien”. Als kind begreep ik niet direct de grap ervan, hoewel juist dat de grap was. 

9-
 
Als wij vroeger gingen schaatsen, hield ik altijd mijn hart vast.
Mijn vader kon zijn val op het ijs niet goed coordineren, als hij onderuit ging schoof hij in een bevroren houding helemaal door tot aan stilstand. Zo heb ik hem eens zien uitglijden op friese doorlopers over een afstand van zeker twintig meter.
Wel opmerkelijk en elegant was dat hij in zijn glijtocht niemand meenam.

10-
Mijn vader is ook eens op zijn werk uitgegleden. Hij betrad een ruimte die eventjes daarvoor was behandeld met boenwas, ging onderuit en gleed over de vloer tegen een metalen stellage aan die om viel.  Met zijn arm heeft hij het gevaarte weten af te weren, overigens niet zonder er een verwonding aan over te houden.  Hij heeft bij zijn baas hieromtrent zijn beklag gedaan, die op zijn beurt er werk van heeft gemaakt. Mijn vader liet niet met zich sollen.

11-
Als het mooi weer was zat mijn vader in zijn lunchpauze weleens met zijn collega,s op het dak van het P.T.T gebouw.
Een keer had hij zijn schoenen uit gedaan en die werden bijwijze van grap verstopt, zodat hij gedwongen zou zijn om zonder schoenen terug te keren op de afdeling. Hij is net zo lang op het dak blijven zitten tot dat zijn schoenen werden terug bezorgd.
Nee, mijn vader liet niet met zich sollen. Hoewel hij zich ook met enige regelmaat liet knippen door een collega tijdens schafttijd voor vijf gulden. Mijn moeder heeft uiteindelijk daar een stokje voor gestoken.

12-
Mijn vader zei altijd, dat profboksers vaak geen neusbeentje meer hadden en zodoende hun neus helemaal konden indrukken. Mijn vader haalde mij en mijn broer midden in de nacht uit bed om de legendarische bokswedstrijd te bekijken tussen Mohammed Ali en Joe Fraser.
Ik vroeg aan mijn vader, waarom deze boksers geen niergordel droegen zoals bij het zijspanracen, waarop mijn vader geen antwoord gaf. 

13-
Mijn vader nam mij eens mee achter op de fiets naar een thuiswedstrijd van Elinkwijk. In dat team speelde een donkere man, ik geloof een surinamer. Deze man fascineerde mij vanwege zijn donkere verschijning en zijn beweeglijkheid. Later kwamen wij hem weer tegen op de begrafenis van oom Hans, veertig jaar later, hij was geen steek veranderd, en leek zelfs niet ouder geworden.

14-
Mijn vader zei altijd dat de lange afstandloper Jos Hermens tijdens zijn marathons een echte natuurliefhebber was. Want hij was meer dan eens vlak voor de finish gestopt met rennen omdat hij een hert zag.

15-
Mijn vader beweerde ook, dat als je dobber schuin onderging dat je van doen had met een bliek.
Hij vroeg meer dan eens aan mij of ik wist waar de meeste vis zit, vanaf de tweede keer antwoordde ik steevast, tussen de kop en de staart. Als zeventienjarige jongen is hij eens wezen vissen met zijn vader, zijn opa, en oom Gijs in een plas bij Tienhoven.
Tijdens hoge nood stond mijn vader op de punt van de boot, die tegen de kant aan stak tussen de bosschages. Met een hand vast aan een tak, behield hij zijn evenwicht voor korte duur.
Oom Gijs had de boot plotseling een flinke schommeling gegeven, waarbij mijn vader ter water raakte. Mijn vader die tot aan zijn middel drijfnat was, heeft het zomerse visuitje verder uitgezeten in een veel te ruime reservebroek die hij bijeen hield met de stropdas van zijn vader.
16-
Mijn vader heeft een hekel aan verhuizen en klussen. Hij is ooit drie keer op een middag heen en weer geweest naar de ijzerwarenwinkel “Pijper”op de van Bijnkershoekelaan, bij ons op het kanaleneiland. Het draaide allemaal om een bepaalde maat afsluitdop voor een gasleiding. De man van de winkel had ze volgens mijn vader niet allemaal op een rijtje. Hij was gekleed in een gestreken donkergroen werkoverall met blinkende ritsjes en droeg een Paulus de boskabouterachtige baard, waaruit een onverstaanbaar gewauwel opsteeg.
17-
Vroeger waarschuwde mijn vader ervoor, dat ik er voor moest zorgen om voor mijn twintigste een vrouw te hebben want anders zou ik de boot missen.
Mijn opa attendeerde mijn vader erop, dat je mannen die naar je knipoogden altijd in de gaten moest houden.  

18-
Mijn vader heeft een keer in zijn leven auto gereden.
Dat was in een jeep, tijdens zijn militairediensttijd.
Hij had aan een van zijn medemilitairen gevraagd om ook even te mogen rijden.
Met een rot gang schoot mijn vader naar achteren de bosschases in.
19-
Mijn vader heeft tijdens zijn militairedienst ooit eens een straf gekregen, omdat er tijdens een wapeninspectie een zandkorrel in zijn geweer was aangetroffen. Hij moest toen bijwijze van boetedoening de hele nacht op zijn wapen slapen.
20-
Mijn vader zat in de jaren zeventig bij de BB (bescherming burgerbevolking) en moest dan in militaire kleding eens in de zoveel tijd dienst doen. Toen hij voor de eerste keer aantrad had mijn moeder zijn rangstrepen verkeerd opgenaaid, zodat hij werd aangezien voor iemand met een hoge positie. Iets dat hem niet misstond. 
21-
Mijn vader heeft ooit in zijn late jeugd samen met zijn kornuit Jan van Luyn  in een politiecel geslapen, te Roermond. 
Ze zochten een slaapplaats voor de nacht, die er niet was en op advies van mijn vaders vader kon je dan het beste aankloppen bij een politieburo. Ze moesten hun veters uit hun schoenen halen en alles inleveren wat ze bij zich hadden. Jawel, ze werden bijna als boeven behandeld, nog geen kopje thee hebben ze gehad. 
22-
Vroeger gingen wij met ons gezin een aantal jaren lang, jaarlijks bij de chinees dineren ter gelegenheid van de trouwdag van mijn ouders. Dat vond dan plaats in de herfstvakantie waarin wij in onze nieuwe winterkledij opgetogen op weg gingen naar het restaurant. Wij hebben er altijd heerlijk gegeten, totdat mijn vader uit de krant vernam dat er in hetzelfde restaurant ingevroren ratten waren aangetroffen door de keuringsdienst van waren.
Niet lang daarna hoorden wij van oom Nol, dat hij ook onaangenaam was verrast. Tijdens het diner in een ander chinees etablischement trof hij met zijn gezin een paar peuken aan in zijn babipangang.
Mijn vader heeft ons verteld dat de chinese gemeenschap in ons land er een is van een gesloten circuit.
Je zal nooit een chinees zien demonstreren, ze lossen hun eigen problemen op, zei hijj dan.
Ik dacht dan meteen aan de chinesen die een rol speelden in de boeken van mijn striphelden.
Zo waren zijj in de avonturen van Kuifje en Suske en Wiske altijjd de ondoorgrondelijke boeven die er niet voor terug deinsden om laf geweld te gebruiken. 
Zodoende denk je later bij jezelf, hoe makkelijk je kan overgaan tot het generaliseren van een bevolkingsgroep als je niet goed nadenkt. 

23-
Vroeger hadden wij wel eens last van muizen. Mijn vader zette dan wat klemmen uit met succes, maar ze bleven komen. De gedachte was dat het konijnenhok op de binnenplaats de muizen aantrok vanwege het voer. Mijn vader is toen ook klemmen gaan uitzetten op de binnenplaats die open in verbinding stond met de aangrenzende tuinen.
Wij hebben hem er op gewezen dat het geen zin had, omdat hij eigenlijk bezig was met het jagen op muizen in de open buiten lucht. Hij is er mee gestopt nadat hij een gevleugeld exemplaar in een klem aantrof. Geen vleermuis hoor, maar een huismus.
24-
Mijn vader heeft eens op kerstavond verschrikkelijke kiespijn gekregen en kon op korte termijn niet geholpen worden.
Hij heeft de pijn weten te onderdrukken met een fles cognac.
Later heeft de tandarts hem onderhanden genomen.  Bij thuiskomst gaf mijn vader aan nog last te hebben van napijn, maar na enige uren van toenemende pijn, ging die vlieger niet meer op.
Mijn moeder heeft toen bijwijze van controle met een lepel op de kies getikt die naast de getrokken kies stond.
Mijn vader ging door de grond van de pijn, De tandarts had de verkeerde kies getrokken.
Die tandarts was er een van het slechte soort, die ons gezin veel schade heeft berokkend.
Mijn moeder heeft eens op zijn advies al haar tanden en kiezen laten trekken, een trieste gebeurtenis dat achteraf gezien geheel niet nodig was. De tandarts was een onsympathieke man van weinig woorden.
Zijn inlevingsvermogen en de daarbij behorende sociale vaardigheden waren ronduit aboninable.
Vooral voor het kinderbrein was hij een ramp. Ik heb daar echt pijn geleden.
Als jongetje van negen werd ik door hem voor het eerst geboord zonder verdoving.
Mijn zus heeft eens bij een bezoek rondjes gerend om het bureau om de dans te ontspringen, tevergeefs.
Ze heeft de behandeling ondergaan terwijl ze werd vastgehouden.
De wachtkamer van de tandarts zal ik nooit vergeten, er hing een rond bordje boven de deurpost waarop stond vermeld, “ een mens lijdt dikwijls het meest, door het lijden wat hij vreest”.
Verder hingen er in de wachtkamer een serie prentjes waarop allerlei situaties stonden afgebeeld van iemand die met  kiespijn een uitweg zocht. Ik herinner mij er eentje van een man op het spoor, die zijn zieke kies had aangelijnd met een koort aan een treinwagon die op het punt stond te vertrekken. 
25-
Wij stonden vroeger eens te wachten op het stationnetje te Groenlo in de achterhoek.
Het was snikheet die dag, en het kwik reikte tot ruim boven de dertig graden. Mijn vader vertelde ons dat het bier van het merk Grolsch hier vandaan kwam. In de zinderende hitte keek ik naar een paar bloembakken waarin afrikaantjes stonden opgesteld. Wij waren de enige op het perron en het wachten duurde een eeuwigheid.
Na overleg met mijn vader, bleek het niet Groenlo te zijn maar Winterswijk.
Het was snikheet die dag, en het kwik reikte tot ruim boven de dertig graden. 
In de zinderende hitte keek ik naar de zebravinkjes die rumbonen bemachtigden uit het zilveren schaaltje op het dressoir. Wij waren de enige op het perron en het wachten duurde een eeuwigheid. 

26-
Mijn vader beweerde onlangs een gladde slang te hebben waargenomen in de buurt van een zandverstuiving bij Soestduinen. Oom Nol, die natuurgids is trok dit in twijfel en zei dat het naar alle waarschijnlijkheid om een hazelworm zou gaan. Na enig speurwerk van mijn vader bleek het verspreidingsgebied van de gladde slang ook tot de zandverstuivingen nabij soestduinen te behoren. In gedachte zie ik oom Hans op een verjaardag het verhaal aan horen en hem zeggen, zoals alleen hij dat kon zeggen, ” zeg Co, was het geen tuinslang”.
27-
We gingen eens eten in een indonesisch restaurant, waar mijn vader samen met mijn moeder al eerder was geweest. Ze waren zeer tevreden over het eten en de bediening was er volgens hen formidabel. Bij binnenkomst werd mijn vader, als hoofd van het gezin nederig ontvangen. ” Dag mijnheer Pisa” zei de aziaat met een plechtige knikbeweging en nam daarop de pet en de jas van mijn vader in ontvangst. Mijn moeder onderging hetzelfde ritueel, hoewel zij in plaats van een pet haar paraplu liet overnemen. Onderwijl hingen wij, als jongeren zelf onze jassen op. Dat alles onder toeziend oog van de ontvangstheer die ons hierna ter begeleiding voorging om plaats te kunnen nemen aan de gereserveerde tafel, die er onberispelijk uitzag. De stoelen waarop wij zaten waren echt opzienbarend en bizar. Ze waren vervaardigd van een soort transparant plastic waarin een zachtrode vloeistof rustig opbubbelde. Alleen het zitgedeelte was hiervan uitgesloten en voorzien van een laag comfortabel foam. Ik keek om mij heen of iedereen op zo,n stoel zat, en inderdaad overal zag je de vloeistof vanaf de poten naar de rugleuning in kleine belletjes opborrelen. En nu moet ik ophouden met het confabuleren, want ik wil dicht bij de waarheid blijven. Na afloop van het diner begaven wij ons weer naar de garderobe, alwaar de pet van mijn vader spoorloos bleek te zijn en de bediende suggereerde geen pet van mijn vader te hebben aangenomen. Zonder pet, heeft mijn vader het restaurant verlaten en zijn wij gezamenlijk naar het station gewandeld. Het was koud, nat en winderig. Nog maar net op het perron aangekomen, zagen wij een manspersoon in haastige passen naar ons toekomen. Het was de man van het restaurant die ons ontvangen had, hij bood direct zijn excuus aan en overhandigde daarbij de pet van mijn vader. 
28-
Mijn vader kocht eens voor mijn moeder een rode lamp bij de kijkshop. De lamp werd op zijn plaats gezet met de innerlijke overtuiging dat mijn moeder het echt mooi zou vinden. Maar mijn moeder vond er niets aan en op tactvolle wijze heeft ze mijn vader de lamp laten terug brengen.
Mijn ouders hebben tot op de dag van vandaag een meer dan uitstekende verhouding, ze zijn nog nooit gescheiden. 

29-
Mijn moeder vroeg eens aan mijn vader om het bezoek te voorzien van een glaasje rodebessenjenever. Mijn vader gaf hieraan op bijzondere wijze gehoor, en verscheen met vier grote glazen op het toneel, De glazen waren zowat tot aan de rand gevuld. Iedereen moest lachen, en mijn moeder zei,” zeg Co, wil je ons dronken hebben of zo”.
Mijn vader vond het minder leuk, maar contemplatief gezien, was hij toch een heer.
-30
Ik heb mijn vader een keer in mijn leven zien witten bij ons op de flat.
Dat geschiedde op een zaterdagochtend, waarbij hij een zakdoek op het hoofd droeg.
Deze zakdoek had hij verdraaid creatief tot hoofddeksel omgebouwd, door in iedere punt een knoopje te leggen zodat er een soort netje ontstond die hij over zijn haar kon spannen.
Hij zag eruit als een typetje dat figureerde in een stille film om het publiek te vermaken.
-31
Mijn vader was de man die zijn pakje Northstate sigaretten een slinger gaf, in het jaar dat ik geboren werd.
-32
Mijn vader weet veel van politiek, voetbal, en het wielrennen.
Hij heeft mijn voornaam vernoemd naar een legendarische wielrenner.
Ik heb een hele lieve vader, waar ik iedere dag nog van leer.