Als zestien jarige jongen heb ik vakantie werk verricht in een zeefdrukkerij, Leydekkers genaamd.

Mijn oom Theo werkte daar, via hem heb ik mijn eerste werkervaring opgedaan, drie weken lang.

Leydekkers was een klein bedrijf, waar zo twintig man werkte. De eigenaar was de heer Leydekkers, een goede kennis van mijn opa. Zodoende kreeg mijn oom deze baan bezorgd.

 

Toen ik daar kwam werken, was de heer Leydekkers al op leeftijd. Hij had inmiddels zijn bedrijf langzamerhand over gedragen aan zijn twee zoons, Duco en Floris. Deze broers maakten op mij nogal een hooghartige indruk.

 

De zeef-drukkerij verdiende zijn geld met het uitvoeren van reclameopdrachten. Naast de drukkerij, bestond er een montageafdeling, een modelmakerij, een tekenkamer, e.d. Kortom, alle voorzieningen waren aanwezig. Er hoefde geen werk te worden uitbesteed. Het gehele proces van de uitvoering lag bij de firma leydekkers.

 

Je moest om acht uur beginnen. Stipt. Om tien uur had je een kwartiertje koffiepauze. Hierna werkte je door tot twaalf uur. De lunch pauze was tot half een. S,middags, om drie uur een kwartiertje thee pauze. En als het eindelijk vijf uur was, ging je huiswaarts.

 

Gedurende drie weken, werd ik overal ingezet. Ik kwam daarbij in aanraking met nogal vreemde personages. Ik zal trachten deze figuren tot uitdrukking te brengen, aan de hand van korte verhaaltjes.

 

Mijn chef was ene mijnheer van de Berk. Een hard werkende man, die er scherp op toezag of er goed gewerkt werd.

Hij was er een van de oude stempel. Deze man gaf mij eens ter kennisgeving, en ik herhaal zijn woorden.

“Als jij werkt, dan zien wij dat niet. En als jij niet werkt, dan zien wij dat wel”. Het zegt iets over zijn arbeidsethos, waar te allen tijde een zweem van angst om heen hing voor zijn superieuren. Angst voor, de dead-line die was gesteld. Angst voor ontslag. Eind jaren zeventig, bonkte de recessie-hamer al flink op de deur.

Ik moest eens een keer, het opslaghok op de binnenplaats uit ruimen. Deze opslagplaats zat vol gepropt met polystyreenafval. Harde plastic platen in alle formaten, voorzien van scherpe randen en bramen. Een klus waarbij je jezelf makkelijk kon verwonden. Het was heet die dag. Ik stond op een berg polystyreen, om de grote stukken van de kleinere te scheiden. Hierbij droeg ik ter bescherming stoffen handschoentjes. De hitte in het hok was niet uit te houden. Plots gleed ik uit, en belandde zo,n drie meter beneden in de hoek van het hok. Op mijn onderarmen stonden flinke striemen afgetekend. Geen slagaderlijke bloeding, dacht ik bij mij zelf. Heb hierna aangegeven, dat soort werk niet meer te willen doen. Het is te gevaarlijk, had ik tegen mijnheer van de Berk gezegd. Later in die week kreeg ik van mijn chef een ander dubieus werkje aangeboden. Ik moest gaatjes boren in plastic strookjes. Hiervoor gebruikte ik een automatische boor die ik van boven naar beneden moest bedienen. Hierbij droeg ik wederom stoffenhandschoentjes, maar nu ter bescherming van het materiaal waar geen krasjes op mochten komen. De boor greep een van mijn handschoentjes vast, en in een reflex trok ik razendsnel mijn hand terug. Heb geluk gehad dat het handschoentje niet al te strak zat, anders was ik nu een paar vingers kwijt geweest. Stel dat daar nu eens de arbeidsinspectie op was geattendeerd. Zo stoer en naïef ik was, vervolgde ik mijn vakantiewerk. Ik verdiende honderdvierenveertig gulden per week. Dat was voor mij toen een hoop geld. Ik kocht van mijn eerste weekloon, een eigen pick-up. Schafte tegelijk de hit-single aan van Ian Dury. Hit me with your rhithmstick.

 

Soms mocht ik werken op de drukkerij. Dat vond ik best, want dan werkte ik bij mijn oom. Ik zat dan minder in het vizier van mijnheer van de Berk. De drukkerij stond een beetje los van alle andere afdelingen, er hing een veel prettige sfeer. Hier kon echt gelachen en gedold worden. Ik werkte vaak samen met Leo de welp, hielp daarbij met het zogenaamde uithalen. Een vakterm die voor een leek interessant zou kunnen klinken, maar in wezen niets om het lijf had. Leo drukte af, en ik nam de vervaardiging van de druktafel, om het in een droogrek neer te leggen. Nico was een aparte vogel. Hij stotterde, was slechthorend, rookte als een schoorsteen (caballero zonder filter), en rook niet al te fris. Al snel had ik een grillige vertrouwensband met hem opgebouwd. We konden af en toe prettige gesprekken hebben, over allerlei uiteenlopende onderwerpen, veelal maatschappelijk getint. Daarnaast kon ik het niet laten, hem ook te plagen en te treiteren. Ik kon Leo bovendien bespelen.

Als hij echt boos werd, wist ik hem later weer voor mij te winnen. Ik weet nog,dat hij een keer ziedend op mij werd. Hij dreigde mij te zullen slaan met een rakel. Dat is een strijker om de drukinkt te verdelen over het zeefraam. Iedere keer als Leo beide handen nodig had om een afdruk te maken, legde hij eerst zijn brandende peuk op de rand van de tafel. Tussen het drukken door nam hij telkens zijn sigaret weer op. Voor de gein had ik zijn sigaret vast geplakt, met een smal stukje tape. Doordat hij deze nu niet kon op pakken, werd ik getrakteerd op een prachtige onnozele kop. Leo inspecteerde zijn sigaret, en zag mijn grijnzende smoel. Hief toen de rakel boven zijn hoofd om mij een dreun te verkopen. Ternauwernood wist ik weg te duiken. Deze reactie was een optelsom van al mijn gesar. De relatieve korte onderbreking duurde lang genoeg, om de inkt op het raam te veel in te laten drogen. Je kon dan niet zomaar weer het werk hervatten. De conditie van de verfsubstantie, luistert bij het zeefdrukken nogal nauw. Iedere print moet het zelfde zijn. Een klein verschil in kleur-nuance, was funest. Als daar sprake van was, sprak men van een afvaller.

Een afvaller betekende meestal meerdere afvallers. Iets waar verantwoording voor moest worden afgelegd bij de baas. Daar was geld mee gemoeid. Een half uur na het incident stonden we weer samen te werken, als of er niets was gebeurd. We spraken nu over voetbalsupportersgedrag, en over seks op een sky-rode-leren bank. Oh Leo, het spijt mij zo oprecht dat ik een klier was.

 

Af en toe kwam Bob Koolenbeek de drukkerij binnen wandelen. Hij werkte op de modelmakerij, waar ze mallen maakten. Meestal was de reden van zijn bezoek om bij ons zijn behoefte te komen doen. Iets waar men op de drukkerij van baalden. Ga toch naar je eigen schijthuis, had mijn oom dikwijls gezegd. Het antwoord hierop was steevast,”ons toilet is bezet”. Koolenbeek was een eigenwijze man, die altijd alles beter wist, of groter, dan wel meer had dan een ander. Eentje van het opschepperige soort. Even ter indicatie. Als ik ergens flink vis had gevangen, dan had hij elders nog veel meer gevangen. Mijn oom zei eens, dat die Koolenbeek thuis niets te vertellen had. Theo was hem een keer komen ophalen om samen te gaan schaatsen. De schaatsen van Koolenbeek lagen klaar op het aanrecht. Netjes met een krant eronder. Toen zijn vrouw dat zag, gaf ze hem een buiten proportionele uitbrander waar de honden geen brood van lusten.’’Haal die vieze schaatsen van je weg’’, galmde later op het ijs nog door in Theo,s oren. Die Koolenbeek heeft mij eens bijna bij de strot gegrepen. Theo wist hem daar van te weerhouden. Met het schuim op zijn bek zei hij tegen mijn oom, die neef van jou moet oppassen. Het geval was dat hij bij ons weer een sanitaire stop kwam maken. Met de goedkeuring van mijn oom, heb ik met de achterkant van een stoffer keihard op de wc-deur geslagen. Na deze handeling, wachtte ik een halve minuut en zette toen mijn actie voort. En wel met een roffel van tien syncopische klappen, in een diagonaal van boven naar beneden. De man is zich rot geschrokken. Leo genoot. Op een of andere manier wist hij dat ik de boosdoener was. Koolenbeek deed zijn behoefte in het vervolg op zijn eigen afdeling, de modelmakerij. Daar werkte hij samen met zijn chef, mijnheer Struister. Dat was ook een zonderling figuur. Iemand die eveneens bang was voor de baas, en vervelend kon zijn voor zijn onderdanen. Hij stond erom bekend enorm te kunnen zweten, vooral bij spoedoverleg. Je zag dan letterlijk het zweet los barsten. Struister had een bult op zijn rug, zeg maar een bochel. Wij maakten hier grapjes over. Theo zei altijd, dat er in zijn bult opgekropt zaad zat. Dat zaad zou door angst voor zijn baas in de loop van de jaren zijn gaan stuwen. Het stuwende zaad zou zijn gaan stollen nabij het schoudergewricht. De druk waarmee dat gepaard ging, zorgde voor een vergroeiing van de botstructuur. De heer Struister werd binnen het bedrijf, daarom ook de bult genoemd.

 

Als het mooi weer was, zaten wij tijdens de lunchpauze buiten op het grasveld.

Bij een van die sessies, goot Theo eens een scheut karnemelk in het oor van Leo. Leo die lekker onderuit lag met zijn oogjes toe, sprong als een atleet overeind. Dat wordt betalen stotterde hij, terwijl hij zijn gehoorapparaat uit nam. Uiteindelijk werd deze kwestie een verzekeringszaak. Theo heeft zich hiervoor meerdere malen geëxcuseerd, en had overduidelijk spijt van zijn ondoordachte handeling. Ik had best te doen met Leo. Ik realiseerde me, dat het apparaatje ter reparatie moest worden gebracht. Daar gaat enige tijd overheen, hij zal tot die tijd nog minder horen dan hij al hoorde. Gelukkig vernam ik van Leo, dat hij een reserve exemplaar in huis had. Ach die arme Leo toch, met zijn oren gedoe.

Doet mij meteen denken aan het bizarre verhaal, dat er eens een nachtmotje zijn oor was ingevlogen. Het vlindertje was diep zijn gehoorgang ingeworsteld, en kwam er niet meer uit. Leo heeft toen een heel weekend lang het gefladder aan moeten horen. Het is toch opzienbarend, als je nadenkt over de kracht van zo,n insect. Het was pas na twee dagen dood. De KNO- arts heeft het dode helikoptertje doen uitdrijven.

In aansluiting hierop wil ik associatief reageren op een soort gelijk bizar verhaal aangaande Leo de Welp.

Nadat hij eens kip met bami had verorberd, was er een stukje bot in zijn darmgestel vast komen te zitten.

Hierdoor ontstonden klachten. Een buik die alsmaar dikker werd, toenemende krampen, en het uitblijven van defaecatie. Intussen at hij wel door. Uiteindelijk werd Leo met loeiende sirenes naar het academisch vervoerd.

Daar werd hij bevrijd van zijn obstructie. Een spoedoperatie heeft zijn leven gered. Wat zal het een bende geweest zijn bij het uitruimen van zijn darmen.

 

Beste lezer, ik hoop niet dat ik u verveel met mijn verhalen. Af en toe voel ik mij onzeker over de manier waarop ik u wil boeien. Is het niet te saai, vraag ik mij dan af. Het hangt natuurlijk ook direct samen met uw intelligentieniveau. Maar vergeet niet, ik heb u hoog. Vergeet niet dat dit hele betoog op waarheid berust. U heeft te maken met iemand die schrijft vanuit drang. Ik schrijf niet omdat het zo leuk is om te schrijven. Het moet! Net zoals, dat je moet eten en drinken.

 

Het was jammer dat ik na een week de drukkerij moest verlaten. Ik werd weer te werk gesteld op de afdeling montage. Hier werkte ik samen met Karel Grafzege, wederom onder toeziend oog van mijnheer van de Berk.

Karel was een grote, sterke man, met een volkse achtergrond. Hij sprak plat, en had een iets wat hangende onderlip. Die lip van Karel had een vervaarlijk uiterlijk, vanwege de combinatie met zijn bloeddoorlopen ogen. Hij leek een beetje op Jack Nicholson uit de film “The Shining“. Mijn oom heeft hem eens geholpen bij zijn verhuizing. Er moest een bed de slaap kamer in, maar er zat een stopcontact in de weg. Het schoot niet op volgens Karel, en hij had geen zin om het wandcontactdoosje te demonteren, Zonder pardon ramde hij met het bed het stopcontact van de wand. Het zegt iets over zijn relativeringsvermogen, tijdens een stressvolle situatie.

 

Karel stond veelal achter de stansmachine, daarnaast beheerde hij ook het magazijn. Bij zijn stanswerk, hielp ik met uithalen. Een geestdodende klus, waar geen eind aan leek te komen. Bij Karel moest ik geen rare geintjes uithalen. Nee, ik paste wel op. Hij had mij al eens intimiderend toe gesproken, toen ik ongevraagd iets aan het zoeken was in het magazijn. Zijn lichaams-taal daarbij vertoonde zoiets van, ik vreet je op. Zolang ik bij Karel normaal deed, was er geen vuiltje aan de lucht. Dus hard werken, en niet te veel ouwehoeren. Moeilijk voor mij, want de behoefte om me af te reageren tijdens dat domme werk was groot. Gelukkig vond ik snel een ingang waarvoor hij warm liep. Dat was zijn club, FC- Utrecht. Ik was ook FC-supporter, maar hoorde bij het gespuis van raddraaiers die rotzooi trapten. Dat supporters gedoe van mij, heeft mij de nodige narigheid bezorgd. Zo heb ik een keer de hele treinreis van Utrecht naar Amsterdam met mijn hoofd klem buiten het raam gezeten. Iemand was op het lumineuze idee gekomen om het raam dicht te draaien terwijl mijn kop er nog tussen zat. Mijn vrienden gingen vanuit het raam daarnaast, mijn hoofd bespugen. Bedenk wel, ik was ook geen lieverdje. Echte supporters steunen hun club, zei Karel altijd. In zijn ogen was ik dan ook geen supporter. Ik hoorde bij de club die het verpest voor de rest. De fc-supporters problematiek was ons raakvlak. Aha, genoeg gespreksstof om subtiel te kunnen plagen, realiseerde ik. Wel moest ik uiterst voorzichtig te werk gaan, hij mocht niet handtastelijk worden. Zal een voorbeeld geven van geraffineerd plaag-werk. Had eens een brood het stadion in gesmokkeld bij een thuiswedstrijd op zondagmiddag. Ben toen de meeuwen gaan voederen. In korte tijd zag een deel van het veld, wit van de meeuwen. Het was voor de scheids niet meer te volgen. Hij staakte de wedstrijd voor enige tijd. Die maandag erop, achter de stansmachine uitte Karel zijn ongenoegen over mijn optreden. Hij had mij zien staan voederen, en vroeg zich af wat mij bezielde. Ik zei hem dat het om een ludieke actie ging, en dat het goed zou zijn voor onze club. Het zou positief kunnen worden uitgemeten in de media. Want het gooien van brood is toch heel iets anders dan het gooien van stenen of andere attributen. Deze redenering zette Karel toe, om mij te willen overtuigen van mijn foute gedrag. Hij kwam met argumenten aan om inzicht te verschaffen. Hij bespeurde blijkbaar toch een stukje goede wil, en vond mij de moeite waard te willen bijsturen. Als hij dan zo zijn best deed mij te overtuigen, gaf ik hem het gevoel, het stukje bij stukje beter te begrijpen. Op het allerlaatste moment, liet ik hem vallen als een baksteen. Ik plaatste dan een dissonant, zodat al zijn moeite voor niets was geweest. Je zag aan zijn kop dat hij zich groen en geel ergerde. Heerlijk was het om deze psychologische spelletjes te spelen. Iedere keer wist ik hem weer voor mijn karretje te spannen. Hij moest eens weten.

 

De meest vreemde vogel binnen het bedrijf Leydekkers was ene Siegfried. Hij was toen achter in de veertig. Hij had een of andere autistische tik.

Hij werkte al jaren voor het bedrijf, iedereen mocht hem graag. Hij had iets kinderlijks over zich, en was altijd goed gemutst. Om zijn eigen grappen lachte hij het hardst. De rest lachten dan hartelijk mee, vooral om zijn manier van lachen. Siegfried was van Duitse komaf, verder wist ik niets van zijn achtergrond. Wel wist ik dat hij helemaal gek was van alles wat met treinen, en vliegtuigen te maken had. Hij scheen een enorme verzameling mini- treintjes thuis te hebben, en woonde nog bij moeder in. Op schiphol was hij vaak te vinden, iedereen kende hem daar. Schiphol was voor hem het walhalla. Siegfried werd gek genoeg sporadisch geplaagd. En als dat gebeurde, nam Karel Grafzege het kordaat voor hem op. Siegfried was als een kind voor Karel, zoals ik de zoon ben van god. (Frank van Vuuren)

 

Iedere ochtend om kwart over negen, kwam Fannie langs gelopen. Zij was de secretaresse van de twee hooghartige broers, die ik al eerder noemde. Fannie was een lust voor het mannenoog. Via het magazijn kwam ze binnen, dartelde dan over de montage afdeling richting de trap. Daar steeg ze op, op weg naar het kantoor. In de korte tijd dat je haar kon gade slaan, bekeek ik haar goed. Ze liep op hoge hakken, en droeg soms een doorzichtige panty.

Haar haar was geblondeerd, en de rokjes kwamen altijd tot aan de helft van haar bovenbenen. Daarbij was ze uit gerust met een flink stel borsten, en haar achterwerk was daar familie van. Alles in de juiste verhouding, en nog rode lippenstift ook. Een waarachtig modelplaatje voor een puber zoals ik. Als ze uit het gezichtsveld was verdwenen, kon je haar parfum nog ruiken. Vooral Humphrey was wild van haar. Hij kon haar verschijning zo mooi prijzen, zonder ordinair te zijn. Humphrey was een man van Indonesische afkomst, zijn bijnaam was aap. Stop nu, het is genoeg geweest, hoor ik mijn vader zeggen